Het uitgangspunt 'actieve pluriformiteit' klinkt mooi, maar is betekenisloos
als je het niet in de dagelijkse praktijk van de openbare school kunt herkennen.
En dat valt niet altijd mee. Hoe maak je leerlingen duidelijk dat er over
levenszaken zulke uiteenlopende meningen (kunnen) bestaan? Hoe werk je vooroordelen
bij personeelsleden, ouders en leerlingen weg? En hoe bij jezelf? Hoe zet
je leerlingen aan tot het ontwikkelen van een eigen mening over zaken waarvan
zij nog nauwelijks weet hebben? Vragen genoeg.
Wat laat de praktijk van de openbare school zien? Wat voorbeelden.
Aandacht voor de verschillende waarden
Eerder werd gezegd dat de openbare
school niet 'neutraal' is. De wet geeft de openbare school nadrukkelijk de
opdracht aandacht te schenken aan de godsdienstige, levensbeschouwelijke en
maatschappelijke waarden in de Nederlandse samenleving met de toevoeging 'met
onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden'.
De openbare school zal bewust en vooral open verschillende godsdiensten
en levensovertuigingen aan de orde laten komen. In de eerste plaats door jonge
kinderen te laten vertellen over hun eigen ervaringen. Het zijn dan simpele
alledaagse dingen, zoals eten en drinken, slapen, straffen en belonen, vriendschap,
maar ook naar de kerk of de moskee gaan.
Jonge kinderen leren ontdekken dat anderen dingen soms anders doen, maar ook
anders beleven. Het leergedrag dat de school bij kinderen wil stimuleren,
kunnen we het beste omschrijven als exploratief: vanuit een natuurlijke nieuwsgierigheid
kinderen stimuleren vragen te stellen.
In de hoogste klassen van de basisschool zullen de leerlingen op een meer
abstracte manier bezig zijn met normen en waarden. Zij kunnen al enige afstand
nemen en begrijpen dat normen van situatie tot situatie kunnen verschillen.
Actieve pluriformiteit in de praktijk brengen betekent hier kinderen stimuleren met elkaar van gedachten te wisselen, hun mening te geven en vragen te stellen. De openbare school vormt kinderen, maar niet vanuit één tot in details vastgelegde visie op mens en samenleving. Ieder kind krijgt de ruimte eigen normen en waarden in contact met anderen te ontwikkelen.
Geestelijke stromingen
Het vak geestelijke stromingen
biedt de mogelijkheid godsdiensten en levensbeschouwingen zo objectief mogelijk
aan de orde te stellen. Vertrouwd maken met de verscheidenheid aan godsdiensten
en geestelijke stromingen helpt het leren samenleven en omgaan met elkaar.
Geestelijke stromingen is dan minder een kennisgebied, maar veel meer een
'kennismakings'gebied.
Bij het leren kennen van en omgaan met elkaar spelen interesse en belangstelling
voor elkaars levensbeschouwing een belangrijke rol. De interesse en belangstelling
van de leerlingen vormen dan ook het vertrekpunt.
Belangstelling uit zich onder andere in het stellen van vragen. Door zichzelf
en aan anderen vragen te stellen wordt het voor de leerling mogelijk zich
te verplaatsen in de ander. Ook wordt het dan mogelijk antwoorden te krijgen,
kennis te vergaren met betrekking tot geestelijke stromingen die voor leerlingen
zinvol en bruikbaar is.
Het vakgebied geestelijke stromingen blijft in ontwikkeling. Openbare scholen zullen ervoor kiezen zo onbevooroordeeld mogelijk de verschillende stromingen aan de orde te stellen. Zakelijke informatie kan op een objectieve wijze worden overgedragen.
Vieren van religieuze feesten
Een manier om 'actieve pluriformiteit'
heel zichtbaar te maken is het met leerlingen vieren van belangrijke feesten
uit de verschillende godsdiensten. Het suikerfeest (led-ui-Fitr) aan het einde
van de Ramadan (Islam), het Holifeest (lentefeest) van de Hindoes, Chanoeka
(lichtfeest) uit het Jodendom of het christelijke Paasfeest; het vieren van
deze en andere feesten op school maakt het mogelijk met leerlingen na te denken
over elkaars religieuze en levensbeschouwelijke achtergronden en daarvoor
respect te ontwikkelen.
Bron: Maarschalkerweerd, Arno. De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
Een openbare school zal bij het kiezen van methoden en lesmaterialen niet alleen rekening houden met didactische en leerpsychologische kenmerken. Ook andere criteria zullen gebruikt worden. Bijvoorbeeld:
Bron: Maarschalkerweerd, Arno.De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
5.0. Inleiding
Het vieren van religieuze feesten
kan een bijdrage leveren aan de inhoud van het begrip "actieve pluriformiteit".
Deze feesten vormen een gezamenlijk uitgangspunt om overeenkomsten en verschillen
in de godsdiensten te benaderen en tot uiting te laten komen. Op deze wijze
leren kinderen op een vanzelfsprekende manier elkaars (religieuze) achtergronden
kennen en elkaar mede daardoor te respecteren en waarderen.
Deze handreiking beperkt zich tot de belangrijkste feesten van de in Nederland meest voorkomende godsdiensten: de islam, het jodendom, het hindoeïsme en het christendom. De volgende vragen zijn bij de selectie van de feesten als richtlijnen gehanteerd:
Er bestaat een aantal overeenkomsten tussen de vieringen van feesten van de verschillende godsdiensten. Ook de achterliggende symboliek vertoont treffende gelijkenis. Het overeenkomstige is een geschikt didactisch uitgangspunt, omdat de kinderen de onderlinge verschillen dan vanzelfsprekender leren benaderen. Actieve pluriformiteit vraagt immers van alle betrokkenen (leerlingen, personeel, ouders en bestuur) een open houding ten opzichte van godsdienstbeleving.
Verschillende godsdiensten hebben bepaalde feestperiodes gemeen. In deze handreiking wordt voor de feesten in die periodes, vanwege de overeenkomsten in symboliek, de benamingen "lichtfeesten" en "lentefeesten" gehanteerd. Het licht symboliseert de overwinning van goed over kwaad; de lente symboliseert de hoop, vrijheid en het nieuwe leven.
5.1.1. De godsdienst
De kern van het hindoeïsme is het
geloof in een oergod, de Brahma, de enige kracht en oerbron. Het hindoeïsme
is een samenhang van verschillende geloofsovertuigingen, cultuuruitingen en
spiritueel denken. Het is een manier van leven, en niet alleen een godsdienst.
Het einddoel van de hindoe is op te gaan in de oerbron, de Brahm.
Het hindoeïsme is geen vastomlijnd geloof. Er zijn verschillende stromingen. Twee belangrijke stromingen zijn de Arya Samaj en de Sanatan Dharm. De feesten van de Hindoes kennen verschillende uitingsvormen. De grote feesten zijn vaak combinaties van een aantal feesten die min of meer samenvallen en tegelijk gevierd worden. Naast een religieus karakter (Brahmaanse traditie) hebben alle feesten ook een niet-religieuze kant. Beide tradities komen naast elkaar voor.
De belangrijkste feesten die door de Hindoes gevierd worden zijn Hou (of
Phagua) en Diwali. (…)
5.1.2. Het Holi- of Phaguafeest Oentefeest)
Het Holifeest begint op de laatste
dag van de maand Phagua. Volgens onze kalender valt het feest in februari
en/of maart. Het is in de eerste plaats een nieuwjaarsfeest. Daarnaast is
het lentefeest. De lente verjaagt de winter, het nieuwe leven overwint de
krachten van de dood en het goede overwint het kwade. Daarover gaat ook het
verhaal van de slechte Holika en de goede prins Prahlad.
Dit verhaal gaat over de koning Hiranyakashap die zichzelf tot god heeft
uitgeroepen. Zijn zoon Prahlad blijft echter de god Vishnu vereren. Als de
koning zijn zoon probeert te doden, weet Vishnu dit te voorkomen. De koning
roept daarna de hulp in van zijn zus Holika. Ze verzinnen samen een list:
Holika en Prahlad zullen zich samen offeren op de brandstapel, maar omdat
Holika een onbrandbare sari aan zal trekken, zal alleen Prahlad verbranden.
Wederom grijpt Vishnu in, waardoor Holika verbrandt en Prahlad blijft leven.
Vishnu komt vervolgens op aarde in de incarnatie van Narsingh (half mens,
half leeuw) en verscheurt de koning.
Het goede zegeviert.
Vijf weken van te voren beginnen Hindoes al met de voorbereidingen voor het
Holi-feest. Zij planten een Holi-plant en in de loop der weken bouwen zij
er een brandstapel omheen. Tevens worden bij het Holifeest de resten van de
oogst opgeruimd. De eerste dag van Holi wordt op religieuze wijze gevierd.
Met het aansteken van de brandstapel wordt symbolisch de slechte duivelse
Holika in het vuur verbrand. Vlammende stokken uit het vuur worden in de velden
geplaatst in de hoop dat Holika Raja (koning van Holi) zal zorgen voor een
goede oogst.
Het feest gaat verder met speciale muziek en lekker eten. Iedereen draagt zoveel mogelijk witte kleding, zodat het gekleurde water en poeder waarmee de mensen elkaar begooien extra goed tot zijn recht komen. Deze kleuren alsmede de geuren van de reukwaters waarmee men elkaar besprenkelt, symboliseren de lente. De mensen gaan vervolgens op bezoek bij families waar het afgelopen jaar iemand is overleden.
Holi is een eenheidsfeest. Alle sociale barrières worden doorbroken. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen rijk en arm, geloofsovertuiging en afkomst. Het feest duurt twee tot acht dagen en eindigt altijd op een dinsdag.
5.1.3. Diwali (lichtfeest)
Diwali is een combinatie van verschillende
feesten die min of meer samenvallen en een centraal thema hebben: de overwinning
van recht, waarheid en orde (arth) op onrecht, onwaarheid en chaos (anarth).
Het feest wordt gevierd in de maand Kartik (rond november/december).
Diwali is afgeleid van het sanskrit woord 'dipavali' dat "een rij van lampjes" betekent. Het is een lichtfeest: het licht overwint de duisternis, het goede overwint het kwade en de reinheid overwint de onreinheid. De huizen worden schoongemaakt, versierd met guirlandes en overal in en om het huis worden lampjes (diya's) neergezet. Reeds een week van tevoren wordt er uitsluitend vegetarisch gegeten. Ook drinkt men in die tijd geen alcohol. Dit wordt gedaan om het goede en reine te bevorderen. De mensen sturen elkaar Diwali-wenskaarten. Diwali omvat de volgende belangrijke feesten:
5.2.1. De godsdienst
Het jodendom kent vele feesten.
Mede door de verspreiding en onderdrukking van de joden over de gehele wereld
hebben de feesten een extra waarde gekregen. De thora (of de vijf boeken van
Mozes) is het heilige boek voor de joden. Daarnaast is er nog de talmoed waarin
de geboden en verboden beschreven staan. De god van de joden is JWHW (Jahweh,
wiens naam door een vrome jood niet wordt uitgesproken).
Ook het jodendom is niet een louter religieuze stroming. Met name de tradities van het volk worden door allerlei feesten overgedragen. De joodse feesten worden gekenmerkt door vrolijkheid, lekker eten, speciale gebruiken en gebeden.
Twee van de belangrijkste joodse feesten worden hierna beschreven: Chanoeka, een lichtfeest waarbij de herovering van de tempel wordt herdacht, en Pesach, het joodse lentefeest, waarmee de uittocht uit Egypte en de verlossing van de slavernij herdacht worden.
5.2.2. Chanoeka (lichtfeest)
Tijdens Chanoeka wordt de herovering
van de tempel in Jeruzalem, die ongeveer 165 v. Chr. door de onderdrukker
Antiochus Epiphanes was ontheiligd, herdacht. Na de herovering konden de mensen
in de tempel weer de Menora (negenarmige kandelaar) aansteken. Hiervoor was
zuivere olie nodig. Toen de mensen de kandelaar wilden aansteken, konden ze
slechts een klein kruikje zuivere olie vinden. Toch brandde de kandelaar acht
dagen lang op dit kleine beetje olie. Het Chanoekafeest duurt dan ook acht
dagen.
Elke dag wordt er één van de kaarsen van de Menora aangestoken totdat ze uiteindelijk allemaal branden. Er worden speciale liedjes bij gezongen. De vijfde dag van Chanoeka is speciaal voor de kinderen bedoeld. Ze krijgen dan een vierkant tolletje waarop N-G-H-SJ staat, wat de afkorting is voor "Daar gebeurde een groot wonder" (Nes Gadol Hajah Sjam). Met dat tolletje spelen ze om snoepjes. Op de laatste dag, als alle kaarsjes van de Menora branden, geeft men elkaar cadeautjes.
5.2.3. Pesach (lentefeest)
Pesach is het joodse paasfeest.
Het feest herinnert aan de uittocht uit Egypte onder leiding van Mozes. De
joden die als slaven in Egypte werkzaam waren, mochten van de Farao niet naar
Palestina vertrekken. God stuurde toen tien plagen over het Egyptische volk.
Mozes waarschuwde de farao voor een tiende plaag als hij hen niet zou laten
gaan: alle oudste kinderen zouden sterven, waaronder de farao. De farao liet
daarop Mozes en het joodse volk gaan. Mozes beval de joden hun deuren voor
het vertrek met bloed te besmeuren, zodat de engel des doods aan hun huizen
voorbij zou gaan. Nog voordat het brood voor onderweg gerezen was, vertrokken
ze.
Bij de Rode Zee aangekomen liet Mozes de zee wijken, zodat deze doorwaadbaar werd. Daarna sloot de zee zich achter hen, waardoor de Egyptische soldaten die hen achtervolgden omkwamen in de golven. De joden waren weer een vrij volk.
Deze vrijheid wordt gevierd met Pesach. Het feest begint op Sederavond (seder betekent volgorde) met een maaltijd die onder andere bestaat uit matses (symbool voor het ongerezen brood bij het vertrek), bitter kruid (mierikswortel, ter nagedachtenis aan de bitterheid van het slavenbestaan) en zout water (tranen van de vervolging). Na de maaltijd wordt het hele verhaal verteld aan de hand van vragen die het jongste kind stelt (uit de haggada, een boek). Daarbij worden ook de symbolen van het voedsel uitgelegd.
5.3.1. De godsdienst
De islam kent vijf belangrijke
voorschriften (zuilen) waar iedere moslim zich aan moet houden:
De islam kent Mohammed als één der belangrijkste profeten en Allah als god.
5.3.2. led-ul-Fitr (vastenfeest)
De vierde "zuil", het
gebod een maand te vasten, vindt plaats in de negende maand van de islamitische
kalender, de Ramadan. In deze maand kreeg Mohammed de openbaringen van Allah.
Tijdens de Ramadan wordt tussen zonsop- en zonsondergang gevast. Zo leert
de moslim dankbaar te zijn voor al het goede dat Allah geeft. Ook leert hij
hoe het voor de armen voelt om honger te lijden. Wie met volledige overtuiging
en oprechtheid vastend en biddend de Ramadan doormaakt, zal zijn zonden vergeven
zien.
Aan het eind van de Ramadan wordt het Ied-ul-Fitr (het Kleine feest of, in Turkije, suikerfeest) gevierd. Dit feest betekent na de zware vastentijd een vrolijke dag. In de loop van de ochtend gaat men naar de moskee, waar het speciale feestgebed, het Salaat-ul-ied, wordt gehouden. Daarna omhelst en feliciteert iedereen elkaar. Ook wordt een materiële bijdrage ten behoeve van de armen gegeven (fitr of fitrana). Dan gaat iedereen naar zijn huis of familie, waar het feest wordt voortgezet. Het Iet-ul-Fitr is vooral een feest voor de kinderen, die cadeautjes krijgen. Om het energieniveau na het vasten weer snel te laten herstellen, wordt veel zoetigheid gegeten.
5.3.3. Ied-ul-Adha (offerfeest)
Naast het Kleine feest kent de
islam het led-ul-Adha, het grote feest of offerfeest, dat de bedevaart (hadj)
afsluit. Bij dit feest wordt herdacht dat Abraham van Allah de opdracht kreeg
zijn zoon Ismaël te offeren. Uiterst gehoorzaam aan Allah was Abraham bereid
dit offer te brengen. Op het kritieke moment beval Allah Abraham echter zijn
zoon weer op te laten staan. Als dankoffer werd aan Allah een schaap geofferd.
Het offerfeest duurt drie dagen. Op één van die dagen offert iedere familie
een schaap, dat ritueel geslacht wordt. Het vlees wordt in feestelijke maaltijden
verwerkt en gedeeld met familie, vrienden, buren en armen.
In Nederland stuiten veel moslims op problemen, omdat het ritueel slachten
afwijkt van de hier heersende opvattingen en regels over het slachten en behandelen
van dieren. De laatste tijd zijn er speciale plaatsen gekomen waar ritueel
geslacht mag worden.
5.4.1. De godsdienst
Binnen het christendom bestaat
een groot aantal stromingen die met elkaar het geloof in Jezus Christus, zoon
van God gemeen hebben. Christenen geloven dat Jezus op aarde geleefd heeft,
daar geleden heeft, gestorven is aan het kruis en weer uit zijn graf is opgestaan.
Alle stromingen herdenken zijn leven en sterven.
De christenen kennen twee belangrijke boeken: het oude testament en het nieuwe
testament. Het oude testament komt voor een belangrijk deel overeen met de
thora van de joden. Het nieuwe testament beschrijft de periode van het leven
van Jezus en is opgetekend door zijn discipelen.
Pasen is het belangrijkste christelijke feest. Dan wordt de kern van het christelijke
geloof, de dood en opstanding van Jezus, herdacht. Het kerstfeest is het tweede
belangrijke feest. Met Kerst wordt de geboorte van Jezus gevierd. Niemand
weet zijn precieze geboortedag. Daarom koos keizer Constantijn een datum om
deze gebeurtenis te vieren: 25 december. Hij liet Kerstmis samenvallen met
het Romeinse zonnewendefeest. Zo werd een bestaand Romeins feest een christelijke
feestdag.
5.4.2. Pasen (lentefeest)
Op Goede Vrijdag wordt de dood
van Jezus aan het kruis herdacht. De daarop volgende zondag, Paaszondag, herdenken
de christenen de opstanding. Voor rooms-katholieken is Pasen tevens het einde
van de vastentijd. Door te vasten proberen de katholieken het lijden van Jezus
beter te begrijpen.
De week voor Pasen begint met Palmzondag, die herinnert aan de dag dat
Jezus naar Jeruzalem ging en waar hij met palmtakken als een koning werd ingehaald.
In veel dorpen en steden wordt deze intocht in Jeruzalem herdacht met optochten
waarbij palmtakken worden meegevoerd. Witte Donderdag is de donderdag voor
Pasen. Dan wordt het laatste avondmaal herdacht: het laatste maal dat Jezus
met zijn discipelen nuttigde. Tijdens dat maal droeg hij zijn discipelen op
met de andere volgelingen steeds opnieuw brood te eten en wijn te drinken
als herinnering aan zijn vlees en bloed.
Op Paaszaterdag houden veel christenen omstreeks middernacht een kerkdienst.
Er worden dan veel kaarsen gebrand als teken van Jezus' opstanding uit de
dood. Op Paaszondag eten veel mensen een paasontbijt, onder andere bestaande
uit brood en eieren.
5.4.3. Kerstfeest (lichtfeest)
De vier weken voor Kerstmis noemen
de christenen advent, wat "verwachting" betekent. De mensen hangen
dan vaak een adventskrans op van groene takken, waar op elke zondag een (brandende)
kaars bij wordt gezet. Op deze wijze symboliseren de mensen de verwachte komst
van Jezus. De mensen branden omstreeks Kerstmis veel kaarsen en halen sparre-
en hulsttakken in huis. Met Kerst gaan veel christenen op bezoek bij familie
en wordt er vaak extra lekker gegeten.
De geboorte van Jezus wordt gezien als de belofte van nieuw leven, van nieuw
licht en van een overwinning op het kwaad. De avond voor Kerst worden in veel
kerken diensten gehouden. In de rooms-katholieke kerken staat dan vaak een
kerststal in de kerk, met daarin figuren die het kindje Jezus, zijn moeder
Maria, zijn vader Jozef, de herders en de drie wijzen uit het oosten voorstellen.
Deze kerststal symboliseert de stal waarin Jezus geboren werd.
Bron: Bakker, I. e.a. Handreikingen voor openbaar onderwijs
in de basisvorming. SBOO, 1993. Deel Basisonderwijs, hoofdstuk 5. Religieuze
feesten en actieve pluriformiteit.
Het is voor een actief-pluriforme mediatheek van belang dat de boeken kritisch beoordeeld worden. Voor een kritische beoordeling kunnen de volgende praktische richtlijnen worden gehanteerd:
Kijk naar de illustraties:
Kijk naar de lijn in het verhaal:
Kijk naar de levensstijl:
Bron: Bakker, I. e.a. Handreikingen voor openbaar onderwijs in de basisvorming. Deel Basisonderwijs, hoofdstuk 2. De mediatheek en actieve pluriformiteit.
Kerstmis op een openbare school wordt meer gevierd als een vredesfeest waarbij alle geloven/levensovertuigingen elkaar ontmoeten in een streven naar meer vrede. Het gaat dus niet alleen over het kerstfeest zoals het Christendom dat beleeft maar het wordt in een veel breder kader geplaatst. Onder de kerstboom wordt daarom geen kerststal geplaatst omdat dit geen representatie is van hetgeen we allemaal beleven binnen de verschillende opvattingen. Er wordt hier wel in de kring over gepraat en de kinderen vertellen misschien iets over de door hun meegebrachte kerststal en geven die een plaatsje naast de andere materialen op de thematafel. Tijdens deze gesprekken is het belangrijk om erop te letten hoe verschillende mensen dit feest ervaren, welke verschillen en overeenkomsten er zijn en wat nu een individuele ervaring is en wat een gezamenlijke ervaring. De inbreng van de kinderen is hierbij natuurlijk erg belangrijk. Het plaatsen van een kerstboom en het aanbrengen van niet-religieuze versieringen is maatschappelijk zo ingeburgerd als sfeergegeven dat dit niet beschouwd wordt als zijnde een uiting van een bepaald geloof. Op dezelfde wijze gaan we ook om met: het suikerfeest, goede vrijdag, pinksterfeest, ramadan, advent Pasen enz.
Veel kerkelijke gebruiken zijn vaak zo vertrouwd voor sommige mensen dat men er niet bij stilstaat dat andere mensen dit zo niet ervaren en er soms zelfs afstand van nemen. De openbare school probeert hiermee zoveel mogelijk rekening te houden, ook al is het soms wel eens moeilijk om schijnbaar vanzelfsprekende patronen te doorbreken. Door er open voor te staan en het gesprek gaande te houden streven we naar respect en acceptatie.
Bron: Schoolgids openbare basisschool "De Lindt", hoofdstuk 2: Openbaar onderwijs.