Artikel 46 van de Wet op het primair onderwijs (WPO, 1998) en artikel 42 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO, 1963) luiden:
Bron: Wet op het primair onderwijs, artikel 46.
De leuze van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) is al jaren: 'Niet a-p-a-r-t, maar samen' naar de openbare school. Een openbare school die toegankelijk is voor iedereen, waarin samen wordt gewerkt op basis van respect en vertrouwen, ongeacht een andere achtergrond.
Veel ouders kiezen bewust voor de openbare school. Zij willen hun kind
opvoeden in een open opstelling ten opzichte van anderen. Zo'n opstelling
kun je pas ontwikkelen als je de ander leert kennen, begrijpen en waarderen.
Daarom staat de openbare school open voor iedereen, zonder onderscheid naar
godsdienst of levensovertuiging, naar seksuele voorkeur, ras of politieke
overtuiging of welk onderscheid dan ook. De openbare school wil verschillen
en overeenkomsten tussen kinderen als uitgangspunt nemen om de kinderen voor
te bereiden op het deelnemen aan de Nederlandse samenleving, waarin een brede
schakering voorkomt aan overtuigingen en levenswijzen.
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Kun je als openbare school waar maken,
dat iedereen, autochtoon en allochtoon, zich echt welkom voelt?
De verscheidenheid in Nederland neemt nog steeds toe. Scholen hebben te maken
met leerlingen die verschillen in levensbeschouwelijke, etnischculturele en
sociaal economische achtergrond. Dat is niet makkelijk als je als school ernst
wilt maken met het principe dat iedereen tot zijn of haar recht moet komen
en zich welkom moet voelen op school.
Het openbaar onderwijs heeft hier overigens een traditie hoog te houden.
Steeds weer moet de openbare school zich verdedigen tegen het beeld dat het
openbaar onderwijs geen 'waardengemeenschap' vormt omdat het niet kiest voor
één bijzondere (confessionele) waardengemeenschap.
De openbare school wil vooral pluriform zijn en wel zo actief mogelijk.
Die pluriforme school is in principe neutraal, maar niet passief. Voor de
openbare school is essentieel dat allen respectvol en betrokken staan ten
opzichte van de verschillende levensbeschouwingen.
Om het plechtig te zeggen:
De waardengemeenschap van de openbare school is de waardengemeenschap van
door allen gedeelde waarden die in de Nederlandse grondwet en in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens staan, waar met respect en een open
houding en vanuit het principe van gelijkwaardigheid met elkaar wordt omgegaan.
Bron: Maarschalkerweerd, Arno. De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
De openbare school is actief pluriform en discrimineert niet. Wat wil dat zeggen? Als je dat wilt weten, moet je luisteren naar wat de mensen in het openbaar onderwijs belangrijke uitgangspunten voor hun onderwijs vinden. Waar ze zo ongeveer hetzelfde over denken. Als je dat gemeenschappelijke denken op een rijtje zet, dan blijkt het om het volgende te gaan:
De openbare school
De identiteit van de openbare school maak je niet zichtbaar met mooie woorden. Het zijn de mensen die de identiteit van de openbare school zichtbaar maken: de schoolleiding, de leerkrachten, het onderwijsondersteunend personeel, de ouders en de leerlingen. Zij moeten waar maken, waar de openbare school voor staat. Zij moeten de actieve pluriformiteit van het openbaar onderwijs vorm geven in de school.
Bron: Maarschalkerweerd, Arno. De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
'Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan'.
Zo staat het in artikel 1 in de Grondwet. Zo geldt het ook voor het openbaar
onderwijs. De openbare school zal racisme en discriminatie actief bestrijden.
Over hoe je met mensen die discrimineren of racistisch zijn om moet gaan,
verschillen de meningen. Sommigen zullen de dialoog aan willen gaan. Anderen
zullen ervoor kiezen iedere vorm van discriminatie in woord of geschrift in
de kiem te smoren en zelfs te verbieden. Beide opvattingen hebben voor- en
nadelen. Ze hebben wel iets gemeen, namelijk de wens minderheden in school
en samenleving als volwaardige medeburgers te willen beschouwen en te beschermen
tegen vooroordelen en racisme.
Welke aanpak ook gekozen wordt, schoolleiding noch team zal in de school racisme, discriminatie of intolerantie dulden. En als je het bij je leerlingen niet duldt, dan zul je als leerkracht het bij jezelf al helemaal niet dulden. Respect voor elkaar is een van de kenmerken van de openbare school. Daar passen geen racisme, discriminatie en intolerantie bij.
|
Hoe stel je intolerantie vast? In The Threshold of Peace (UNESCO, 1997) staat een lijst indicatoren voor intolerantie. Worden veel van de onderstaande vragen met ja beantwoord, dan kan men zich zorgen gaan maken.
Uit: Leren respecteren, scholen voor een verdraagzame samenleving, P. Batelaan en G. van Hoof, APS, in samenwerking met de Nationale UNESCO Commissie en IAIE, Utrecht, 1998, pag. 53 |
Bron: Maarschalkerweerd, Arno. De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
Een openbare school zal bij het
kiezen van methoden en lesmaterialen niet alleen rekening houden met didactische
en leerpsychologische kenmerken.
Ook andere criteria zullen gebruikt worden.
Bijvoorbeeld:
Bron: Maarschalkerweerd, Arno. De identiteit van het openbaar onderwijs. Waar staat dat voor, waar gaat dat voor? VOO-reeks 45, 2000.
De school biedt een leerplan dat jonge mensen optimaal voorbereidt op een plaats in het vervolgonderwijs en de multi-etnische, multiculturele samenleving.
Artikel 10 Schoolplan
De school ziet er op toe dat het gebruikte schoolplan:
Bron: Non-discriminatiecode voor het onderwijs. Gemeente Den Haag. Haags anti-racisme en -discriminatieteam. Den Haag, 1992. IV Onderwijsdoelstelling
10.1 Aandacht voor verscheidenheid
in de lespraktijk
Waar het ons in dit hoofdstuk om zal gaan, is de beschrijving
en verklaring van de aandacht die een leerkracht op een openbare basisschool
besteedt aan de verscheidenheid van levensbeschouwelijke en maatschappelijke
waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving. Daarmee nemen wij de
wettelijke doelstelling van het openbaar basisonderwijs als richtsnoer. (…)
De totale lijst met onderwerpen is opgenomen in tabel 10.1. Zij is voorgelegd
aan leerkrachten van openbare basisscholen. Daarbij zijn drie vragen gesteld:
Tabel 10.1 Onderwerpen waarin de verscheidenheid van de samenleving tot uitdrukking wordt gebracht
|
Leefwereld |
Dimensie |
Onderwerp |
|
Sociale leefwereld |
Godsdienstig |
Christendom |
|
|
Etnisch |
Discriminatie en racisme |
|
|
Sociaal |
Emancipatie van vrouwen en roldoorbreking |
|
|
Politiek |
Verschillende politieke opvattingen |
|
Natuurlijke leefwereld |
ecologisch |
Milieu en natuur |
Tabel 10.2 De mate waarin bepaalde onderwerpen aan de orde komen in de lessen van leerkrachten op openbare basisscholen (in %).
|
Items |
Nooit |
jaarlijks |
maandelijks |
wekelijks |
dagelijks |
|
Milieu en natuur |
0.9
|
10.6
|
33.0
|
48.9
|
6.6
|
|
Discriminatie en racisme |
7.7 |
32.0 |
45.0 |
13.5 |
1.8 |
|
De problemen van de derde wereld |
8.5 |
37.2 |
44.8 |
8.5 |
0.9 |
|
Vraagstukken van oorlog en vrede |
10.5 |
45.5 |
36.4 |
7.3 |
0.5 |
|
Christendom |
15.4 |
52.0 |
19.5 |
13.1 |
0.0 |
|
Het multiculturele karakter van Nederland |
16.2 |
37.8 |
34.7 |
10.4 |
0.9 |
|
Rechten van de mens |
21.4 |
49.5 |
23.2 |
4.5 |
1.4 |
|
Islam, hindoeïsme, e.d. |
23.4 |
47.7 |
22.1 |
6.3 |
0.5 |
|
Seksualiteit |
23.7 |
53.4 |
20.5 |
1.8 |
0.5 |
|
Emancipatie van vrouwen en roldoorbreking |
25.5 |
42.3 |
23.6 |
5.9 |
2.7 |
|
De eenwording van Europa |
31.4 |
41.7 |
21.1 |
5.8 |
0.0 |
|
Armoede/inkomensverschillen in Nederland |
32.6 |
44.3 |
20.4 |
1.8 |
0.9 |
|
Verschillende politieke opvattingen |
34.2 |
39.2 |
23.0 |
3.6 |
0.0 |
Het eerste wat bij een nadere bestudering van het cijfermateriaal opvalt, is de sterke aandacht voor het milieu en de natuur, met name in vergelijking met de aandacht die wordt besteed aan onderwerpen die te maken met de sociale leefwereld.
Naast het milieu en de natuur als
zijnde het meest populaire thema op de basisschool, is er een tweede groep
van onderwerpen waarvoor onderwijzers een zekere belangstelling tonen. Het
zijn kwesties die verband houden met discriminatie en racisme, de problemen
van de derde wereld, vraagstukken van oorlog en vrede en het multiculturele
karakter van de samenleving. In het algemeen is de aandacht voor deze thema's,
die dus voornamelijk betrekking hebben op de verschillen (en soms de strijd)
tussen etnische groepen, niet heel sterk. Globaal genomen worden ze zo eens
in de maand aan de orde gesteld.
Er is een derde groep van onderwerpen die meestal jaarlijks ter sprake worden
gebracht. Eén op de twee onderwijzers stelt kwesties die betrekking hebben
op seksualiteit en mensenrechten, alsmede op het christelijk geloof en de
niet-christelijke godsdiensten zoals de islam en het hindoeïsme, eens per
jaar aan de orde. Interessant is dat de onderwijzers op de openbare scholen
dus wel degelijk aandacht besteden aan vraagstukken van levensbeschouwelijke
aard, maar het is eveneens duidelijk dat deze aandacht veelal tot een minimum
beperkt blijft. Wat daarbij overigens ook opvalt, is dat het aandachtspatroon
voor het christendom vergelijkbaar is met het patroon voor de niet-westerse
godsdiensten. In dit opzicht lijkt er op de openbare school dus geen sprake
te zijn van een eenzijdige aandacht voor een bepaalde godsdienst.
Er is ten slotte een vierde cluster van onderwerpen. Hiertoe moeten voornamelijk
de thema's worden gerekend die een politieke lading hebben. Zo blijkt voor
één op de drie leerkrachten te gelden dat er geen aandacht wordt besteed aan
verschillende politieke opvattingen. Hetzelfde geldt voor vragen met betrekking
tot armoede en inkomensverschillen in Nederland en de kwestie van de Europese
eenwording. Ook de emancipatie van vrouwen behoort tot de reeks onderwerpen
die weinig belangstelling van het onderwijzerscorps krijgt. Zoals eerder gezegd
neemt de aandacht voor dit onderwerp niet toe als een onderwijzer te maken
krijgt met een hogere groep of klas. Toch vinden we voor dit onderwerp verhoudingsgewijs
nog veel docenten - gemiddeld zo'n drie van de 100 - die naar hun zeggen elke
dag met het thema roldoorbreking bezig zijn.
Tabel 10.3. De reden waarom bepaalde onderwerpen aan de orde komen in de lessen van leerkrachten op openbare basisscholen (in %).
|
Items |
Keuze docent |
Wens leerlingen |
Actualiteit |
In lesmateriaal |
|
Milieu en natuur |
64.6
|
51.3
|
57.5
|
56.2
|
|
Discriminatie en racisme |
48.7 |
43.3 |
63.0 |
22.8 |
|
De problemen van de derde wereld |
45.7 |
20.2 |
24.7 |
21.5 |
|
Vraagstukken van oorlog en vrede |
43.2 |
35.6 |
54.5 |
34.7 |
|
Christendom |
42.1 |
24.9 |
47.5 |
23.1 |
|
Het multiculturele karakter van Nederland |
36.9 |
59.9 |
28.4 |
16.7 |
|
Rechten van de mens |
34.8 |
23.5 |
51.1 |
19.9 |
|
Islam, hindoeïsme, e.d. |
32.1 |
34.8 |
66.1 |
24.1 |
|
Seksualiteit |
31.7 |
21.4 |
29.5 |
17.0 |
|
Emancipatie van vrouwen en roldoorbreking |
31.2 |
17.7 |
39.4 |
14.9 |
|
De eenwording van Europa |
23.1 |
35.1 |
44.0 |
26.7 |
|
Armoede/inkomensverschillen in Nederland |
22.7 |
40.4 |
40.0 |
33.3 |
|
Verschillende politieke opvattingen |
21.1 |
17.9 |
47.5 |
15.7 |
Als we letten op de reden waarom
bepaalde onderwerpen aan de orde komen, moeten we constateren dat het milieu
en de natuur veruit het meest populaire gespreksthema vormen. De leerlingen
willen het, het lesmateriaal maakt het mogelijk, de actualiteit geeft er aanleiding
toe, en - bovenal - de onderwijzer wenst er aandacht aan te besteden.
Voor de roldoorbreking, geldt overigens als voor geen ander onderwerp, dat
het aan de orde stellen ervan in belangrijke mate een beslissing van de docent
zelf is. Zo scoort het motief "eigen keuze van de docent" bij dit
onderwerp hoog, terwijl de andere drie motieven juist laag scoren. Bij de
andere onderwerpen kan een dergelijk scorepatroon niet worden aangetroffen.
Een ander onderwerp dat duidelijk gekoppeld is aan een bepaald motief, is
seksualiteit. Volgens zes van de tien leerkrachten worden het thema seks met
name ter sprake gebracht door de leerlingen zelf. Het lesmateriaal of de actualiteit
geeft er in ieder geval weinig aanleiding toe, terwijl de onderwijzers het
onderwerp ook niet erg hoog op hun voorkeurslijstje hebben staan.
Dat laatste punt geldt zeker ook voor de aandacht voor liet christelijk geloof.
Als er sowieso attentie voor is, dan is dat in slechts één op de vijf gevallen
omdat de onderwijzer daar zelf de voorkeur aangeeft. Het uiteindelijk toch
behandelen van godsdienstige vragen heeft daarentegen juist te maken met vragen
die worden gesteld door de leerlingen uit met name de lagere groepen.
Actuele gebeurtenissen blijken in het algemeen de belangrijkste reden te zijn
om aandacht te besteden aan de reeks genoemde onderwerpen.
Het lesmateriaal is over het algemeen
niet de belangrijkste reden om te spreken over een onderwerp dat betrekking
heeft op de sociale leefwereld. Toch mag men aannemen dat met name de onderwijsleerpakketten
die worden gebruikt bij vakken als aardrijkskunde en geschiedenis, en in het
bijzonder bij kennisgebieden als wereldorïentatie en maatschappelijke verhoudingen,
voldoende stof bevatten om levensbeschouwelijke, etnische of sociale vraagstukken
aan de orde te stellen in de lessen.
Het lesmateriaal speelt wel een rol bij de realisering van de doelstelling
van het openbaar onderwijs, maar die rol beperkt zich tot de hogere leerjaren.
Een simpele verklaring kan hier volstaan: de meeste op de openbare basisscholen
gebruikte onderwijsleerpakketten zijn gericht op de groepen 4 tot en met 8.
Tabel 10.4. Het lesmateriaal dat wordt gebruikt bij de behandeling van bepaalde onderwerpen binnen de lessen van leerkrachten op openbare basisscholen (in %).
|
Items |
Geen |
Zelfgemaakt |
Methode |
Extern materiaal |
|
Milieu en natuur |
17.8 |
35.9 |
61.0 |
44.2 |
|
De problemen van de derde wereld |
33.0 |
14.4 |
23.9 |
42.6 |
|
De eenwording van Europa |
36.0 |
11.1 |
14.2 |
23.1 |
|
Verschillende politieke opvattingen |
43.0 |
8.8 |
13.6 |
14.9 |
|
Vraagstukken van oorlog en vrede |
46.1 |
12.3 |
17.5 |
36.0 |
|
Seksualiteit |
46.3 |
13.2 |
19.4 |
18.5 |
|
Rechten van de mens |
46.5 |
8.9 |
11.1 |
27.9 |
|
Islam, hindoeïsme, e.d. |
46.5 |
7.5 |
23.3 |
19.3 |
|
Discriminatie en racisme |
48.5 |
11.9 |
15.0 |
36.6 |
|
Armoede/inkomensverschillen in Nederland |
51.1 |
4.8 |
10.0 |
10.0 |
|
Het multiculturele karakter van Nederland |
51.5 |
8.4 |
16.3 |
20.7 |
|
Emancipatie van vrouwen en roldoorbreking |
52.0 |
5.7 |
10.9 |
14.4 |
|
Christendom |
53.3 |
10.5 |
22.3 |
14.9 |
Als leerkrachten onderwerpen aan de orde stellen die betrekking hebben
op de sociale leefwereld, dan maakt een derde deel tot de helft van hen geen
gebruik van specifiek lesmateriaal.
Wat betreft het gebruik van lesmateriaal wijken de 12 onderwerpen die betrekking
hebben op de sociale leefwereld duidelijk af van het enige onderwerp dat betrekking
heeft op de natuurlijke leefwereld. Waar de inzet van diverse leermiddelen
bij het thema natuur en milieu vanzelfsprekend lijkt, is dat bij de bespreking
van levensbeschouwelijke, etnische of sociale onderwerpen duidelijk minder
liet geval. Er zijn evenwel een tweetal uitzonderingen op deze regel.
Een eerste uitzondering betreft het gebruik van materiaal dat is aangeleverd
door buitenschoolse instanties. Zo'n 43% van de leerkrachten gebruikt dergelijk
materiaal in het kader van de aandacht voor de derde wereld.
Een tweede uitzondering waaruit een verhoudingsgewijs sterke aandacht voor de sociale leefwereld naar voren komt, betreft een aantal onderwerpen die worden besproken aan de hand van de leermethoden of onderwijsleerpakketten zoals die zijn vervaardigd door educatieve uitgevers. Met name onderwerpen die betrekking hebben op de derde wereld, de islam, het hindoeïsme en het christendom krijgen daarbij de aandacht.
In de bovenbouw gaat de aandacht voor de maatschappelijke verscheidenheid vaker samen met het gebruik van een leermethode. De belangrijkste onderwerpen die met behulp van een dergelijke methode in de hogere leerjaren aan de orde komen, zijn evenwel nog steeds de derde-wereldproblematiek, de islam, liet hindoeïsme en het christendom. In de bovenbouw variëren de percentages voor deze thema's tussen de 37% en 42%. Toch gaat het in absolute zin nog steeds om lage percentages. Dat is zeker het geval in vergelijking met het onderwerp natuur en milieu waar in de bovenbouw 70% van de leerkrachten hun aandacht voor dit thema koppelt aan de aanwezigheid van een bepaalde methode van een educatieve uitgever.
Bron: Braster, J.F.A. De identiteit van het openbaar onderwijs. Groningen 1996, uit p. 348 - 359. Pluriformiteit in de lespraktijk: de leraar.