Enige tijd geleden moest rector Jan Schoppen van het openbare Alexander Hegius Lyceum te Deventer door een zure appel heen bijten. Hij ging een bezoekje brengen aan Hengelo. Daar zetelt het bestuur van de rooms-katholieke Stichting Carmelcollege, een stichting die twintig scholen voor voortgezet onderwijs bestuurt. Schoppen 'ik ben atheïst en hoop dat te blijven ook' meldde zich aan de poort van de karmelieten vanwege de vergevorderde plannen van zijn school om per 1 augustus 2000 te fuseren met het katholieke Geert Groote College, een school die nu al wordt bestuurd door de katholieke stichting. Ook de protestants-christelijke scholengemeenschap Revius doet mee.
Was het openbaar onderwijs tot voor kort principieel een publiekrechterlijke zaak, waarbij het bevoegd gezag bij de gemeente lag, sinds 1 februari 1997 is het ook mogelijk een openbare school te laten besturen door een privaatrechterlijke instantie, zoals een stichting, waarbij het bestuur wel mede moet worden benoemd door de gemeenteraad. Deze nieuwe constructie resulteert veelal in een zogeheten algemeen-bijzondere school, die niet is gekoppeld aan één denominatie, maar elke richting 'bedient'. Onderwijs op (bestuurlijke) afstand, dat is de trend. Schoppen: "Naarmate de lokale overheid meer taken krijgt -gebouwenproblematiek, geïntegreerd achterstandsonderwijs - zie je overal dat gemeenten hun rol als bevoegd gezag gaan afstoten. Verzelfstandiging, dus. Die trend zetten wij gewoon door." De problemen in Deventer zijn dan ook niet zozeer bijzonder door de fusie, maar meer doordat het schoolbestuur katholiek is en niet openbaar, ook al heeft de Stichting Carmelcollege haar statuten moeten aanpassen. De gemeenteraad kon daardoor op 22 maart met overgrote meerderheid instemmen met formeel fusieonderzoek.
Deze stichting heeft al laten weten ‘zingeving’ en ‘zingevingvraagstukken’ verplicht te willen stellen voor alle leerlingen.
"Wij zijn heus geen missionarissen die leerlingen willen bekeren tot welke levensbeschouwing dan ook. We proberen hen wèl te laten nadenken over zin en zingevingvraagstukken", zegt Romain Rijk, rector van het Geert Groote College. "Levensbeschouwelijk onderwijs is niet godsdienstig onderwijs vanuit één bepaalde richting." Collega Fred Kulik van het Revius voegt daaraan toe: "Zingevingvraagstukken gaan over kennis van het geestelijk leven. De hele discussie over normen en waarden op scholen past daar juist fantastisch in." Schoppen: "Een van de aandachtspunten zou de confrontatie met de multiculturele samenleving kunnen zijn. Prima, meenemen." Rijk: "Het wordt geen kleurloze school, maar een kleurrijke school, dat is de opzet, positief pluriform."
Bron: Wolthekker, Dirk. Openbaar katholiek. Fusie van alle Deventer scholen onder één katholiek bestuur leidt tot onrust. Uit: NRC Handelsblad, 3 april 1999.
De gemeenten, de provinciale besturen en uiteindelijk de bewindslieden van onderwijs hebben tot taak om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. Toch verwaarlozen zij deze grondwettelijke taak en verkwanselen zij willens en wetens het openbaar onderwijs.
Monopolie lokt
Deventer is een schoolvoorbeeld hoe er te snel van wordt uitgegaan dat infrastructurele
problemen in het voortgezet onderwijs het best kunnen worden opgelost door
er één grote scholengemeenschap van te maken onder inlevering van de openbare
identiteit. Om het beter te verkopen aan ouders wordt toegezegd dat er in
een dergelijke constructie tegemoet kan worden gekomen aan de diverse wensen
van ouders wat betreft de levensbeschouwing. ‘Bijzondere ouders’
zijn ongerust; begrijpelijk, want de identiteit komt in het gedrang. Vergeten
(?) wordt te zeggen dat alle leerlingen verplicht worden godsdienstige of
levensbeschouwelijke vorming te volgen, waarvan het resultaat meetelt bij
bevordering en slagen. Er is geen sprake van een keuze, zoals dat nu in het
openbaar onderwijs het geval is.
En er ontstaat een monopoliepositie, waardoor gezonde concurrentie, en daarmee een prikkel tot verbetering van de kwaliteit van het onderwijs wegvalt. En weer gaat een katholiek schoolbestuur algemeen bijzonder onderwijs in stand houden. Hier kiest een openbaar schoolbestuur met zijn directie bewust voor een verkeerde weg. Of is men verblind door de grote getallen en lokt een monopolie?
Openbaar te organiseren
Daarnaast zijn er, als een fusie
koste wat het kost wordt doorgezet, drie alternatieve bestuurlijke constructies
voor de situatie in Deventer.De gefuseerde scholen komen onder het bestuur
van een openbare rechtspersoon of van een openbare stichting. De nieuwe school
is dan openbaar. Dat ligt voor de hand als je drie richtingen bij elkaar brengt.
Het bestuur kan bestaan uit mensen die zijn voorgedragen door de ouders en
door de huidige schoolbesturen. De derde mogelijkheid is het samenwerkingsbestuur.
De scholen fuseren niet en worden overgedragen aan een speciale stichting
die openbare en bijzondere scholen bestuurt: het bestuur kan bestaan uit mensen
die zijn voorgedragen door de ouders en door de huidige schoolbesturen. In
alle drie de mogelijkheden is de rol van de overheid te garanderen.
Bron: Van Hout, Lucienne en Rob Limper. Besturen doen openbaar voortgezet onderwijs in de uitverkoop. In: Inzicht, maart 1999.
Overal in ons land zijn openbaar en bijzonder onderwijs al tientallen jaren strikt gescheiden. Sinds kort is er één uitzondering. In de Zuid-Hollandse gemeente Alkemade vallen basisscholen van drie verschillende richtingen -openbaar, rooms-katholiek en protestants- onder één bestuur. Zij hebben de schoolstrijdbijl begraven.
Alkemade, een verzameling van zes dorpskernen met in totaal 14.500 inwoners, ligt in het groene hart van de Randstad. De grootste kern is Roelofarendsveen. De gemeente telt acht basisscholen: één openbare met 300 leerlingen, twee protestants-christelijke met samen 200 leerlingen en vijf rooms-katholieke met in totaal 1100 leerlingen.
De directeuren van de acht scholen vergaderen al sinds 1985 geregeld met elkaar, met name over praktische zaken. Tijdens een van deze ontmoetingen ontstond de gedachte om de banden nauwer aan te halen, maar dan op bestuursniveau. Aldus geschiedde, met als uiteindelijke resultaat een fusie.
S. Tuinstra, voorzitter van de Stichting Samenwerkende Basisscholen Alkemade (SSBA) vertelt de redenen. „Allereerst werd het steeds moeilijker voor de acht afzonderlijke besturen om nieuwe leden te vinden als de oude zich niet herkiesbaar stelden of om andere redenen vertrokken. Eén bestuur voor alle scholen lost dat probleem grotendeels op.
In de tweede plaats dreigden een paar scholen in Alkemade door dalende leerlingenaantallen onder de opheffingsnorm te komen. Dat gold in ieder geval voor de beide protestants-christelijke scholen: die in Roelofarendsveen en in Nieuwe Wetering. Bij een besturenfusie mogen scholen hun leerlingenaantallen middelen. In Alkemade blijven ze daardoor allemaal boven de opheffingsnorm.
Als laatste werden we gestimuleerd door nieuwe wetgeving van de overheid, het Weer Samen Naar School-proces. Dat verplicht scholen met elkaar te overleggen over de opvang van probleemleerlingen. Als één bestuur dat overleg coördineert, bespaart dat tijd en geld."
Bron: Dijkhuizen, E.van. De schoolstrijdbijl begraven. In: Reformatorisch Dagblad, 27 november 1999.
Naast deze drie belangrijkste redenen speelden er een paar andere motieven die de Alkemadese scholen en besturen in elkaars armen dreven: de werkdruk voor zowel directeuren als leerkrachten, de ingewikkelde regels vanuit 'Zoetermeer', die grote deskundigheid eisen om ze te doorgronden, en de plicht om allerlei wettelijke documenten te maken, zoals een formatieplan, een Arbo-plan en een schoolplan. „Een besturenfusie heeft als voordeel dat de taken onderling verdeeld kunnen worden en elke school niet meer voor zichzelf het wiel hoeft uit te vinden", aldus Tuinstra.
Toch blijkt zo'n fusie makkelijker gezegd dan gedaan. Besturen die dit willen stuiten op de strikte scheiding tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Openbare scholen gaan van het plaatselijk gemeentebestuur uit en zijn algemeen toegankelijk: zij mogen geen leerlingen weigeren. Bijzondere scholen daarentegen worden bestuurd door een stichting of vereniging en kennen een min of meer gesloten toelatingsbeleid, meestal op basis van levensbeschouwing.
In Alkemade is het juridische verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs creatief opgelost. Tuinstra: „Eerst is het bestuur van de openbare school losgemaakt van de gemeente en ondergebracht in een stichting. Artikel 17 van de Wet primair onderwijs staat dit toe. Vervolgens fuseerden de besturen van de protestants-christelijke en rooms-katholieke scholen tot één stichting voor algemeen christelijk onderwijs. Als laatste stap gingen de beide stichtingen op 1 juli in elkaar op."
Bron: Dijkhuizen, E.van. De schoolstrijdbijl begraven. In: Reformatorisch Dagblad, 27 november 1999.
Ondanks dat de gemeente Alkemade haar directe gezag over het openbaar onderwijs kwijt is, houdt zij een flinke vinger in de onderwijspap. De gemeente krijgt jaarlijks de begroting van de acht scholen ter goedkeuring onder ogen. Verder draagt zij vier van de zeven bestuursleden van de SSBA voor ter benoeming. Daarbij hoeft zij niet te letten op iemands levensbeschouwing. "Het kan dus gebeuren dat alle vier de bestuursleden onkerkelijk zijn", bevestigt Tuinstra. „Niettemin wordt er van alle leden verwacht dat zij de belangen van zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs behartigen."
De acht scholen hebben elk een commissie, bestaande uit de directeur en vertegenwoordigers van de medezeggenschapsraad en de ouderraad, die zich onder meer bezighoudt met identiteitszaken. Het bestuur van de SSBA heeft die taak dus gedelegeerd. Tuinstra: „Wij scheppen de ruimte voor het beleven van de eigen identiteit, maar doen niet actief mee aan de invulling ervan."
Een raad van toezicht, bestaande uit drie leden, aangewezen door de schoolcommissies, controleert of de scholen serieus werk maken van hun identiteit. De leden zijn op dit moment bezig alle scholen te bezoeken. Tuinstra: „Zij vragen bijvoorbeeld: Waaruit blijkt dat jullie een pc- of rk-school zijn? Wat onderscheidt jullie van de andere scholen? Door deze werkwijze komt er meer aandacht voor identiteitszaken dan er ooit is geweest."
Alle acht scholen zijn sinds de besturenfusie officieel algemeen toegankelijk. Dat is overigens geen opzienbarende verandering ten opzichte van de oude situatie in Alkemade. De vanouds protestants-christelijke Regenboogschool in de dorpskern Nieuwe Wetering wordt al jaren voor meer dan de helft bezocht door roomse kinderen
Bron: Dijkhuizen, E.van. De schoolstrijdbijl begraven. In: Reformatorisch Dagblad, 27 november 1999.
De leerkrachten in Alkemade zijn voortaan op alle scholen inzetbaar. Raakt er op de openbare school een juf boventallig doordat het leerlingenaantal daalt en is er gelijktijdig op een van de roomse scholen een vacature, dan kan zij daar zo aan de slag. Vier personeelsleden, werkzaam op de beide protestantse scholen, zijn het met deze ruilhandel niet eens en tekenden bezwaar aan. „Het bestuur van de SSBA respecteert dat", aldus Tuinstra, „omdat het om zittende personeelsleden gaat. Zij zullen nooit gedwongen worden op een van de andere scholen te gaan werken. Bij de benoeming van nieuwe leerkrachten is deze ontheffing niet mogelijk."
Bron: Dijkhuizen, E.van. De schoolstrijdbijl begraven. In: Reformatorisch Dagblad, 27 november 1999.
Het samenwerkingsbestuur is in wezen een stichting die én een school voor openbaar én een school voor bijzonder onderwijs in stand houdt. Het samenwerkingsbestuur, dat voor tenminste vijf jaar moet worden opgericht, kan geheel zelfstandig als schoolbestuur optreden. Voor zover een gemeente zijn schoolbestuur aan de stichting overdraagt is er dan ook niet alleen sprake van samenwerking met het bijzonder onderwijs maar ook en vooral van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs. Alleen de bevoegdheid de school op te heffen blijft bij de gemeente. Dit hangt samen met haar grondwettelijke garantiefunctie voor het openbaar onderwijs en haar plicht te zorgen voor voldoende openbaar onderwijs. Voor de oprichting of aansluiting hoeft de gemeenteraad geen goedkeuring te vragen aan Gedeputeerde Staten: de wet sluit artikel 155 van de Gemeentewet uit.
De wet geeft hoofdzakelijk voorschriften voor de stichtingsstatuten en voor de verhouding tussen de gemeente en de openbare school. De wet laat de nodige speelruimte voor eigen invulling. De voorschriften voor de statuten hebben vooral betrekking op het bestuur, de financiën, verslaglegging en het toezicht van de betrokken gemeenteraad van de gemeente(n) waarin de openbare school is gelegen. De statuten moeten in ieder geval een overheersende invloed van de overheid verzekeren voor het openbaar onderwijs. De invloed van de gemeente op het samenwerkingsbestuur is zichtbaar minder dan op de reguliere stichting voor het openbaar onderwijs
Het personeel van de openbare school tenslotte, verliest zijn ambtenarenstatus en krijgt een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Bron: Flippo, R.K. en F.M. Ruijling. Samenwerkingsbestuur: eenvoudige zuilaire samenwerking en verzelfstandiging. In: Onderwijs Lokaal, september 1998.
Hier zijn met name twee dingen van belang:
Arbeidsovereenkomst
Wat verandert er voor een personeelslid
van een openbare school onder het samenwerkingsbestuur wanneer hij een arbeidsovereenkomst
krijgt? De verandering van de ambtenarenstatus in een werknemerstatus heeft
beperkte gevolgen, want ook het samenwerkingsbestuur in het voortgezet onderwijs
valt onder de CAO-VO en het Kaderbesluit-VO. De voornaamste verschillen zijn:
Tewerkstelling
personeel
Het personeel kan op iedere school
van het samenwerkingsbestuur, ongeacht de richting, te werk worden gesteld.
De vraag is of een personeelslid, dat principieel heeft gekozen voor een school
met een specifieke geloofs- of levensovertuiging, een gedwongen plaatsing
naar een openbare school kan weigeren. Een verstandig schoolbestuur zal met
deze kwestie uiteraard zorgvuldig omgaan en alle mogelijkheden bezien om een
plaatsing te vinden die de keuze van het personeelslid respecteert. Dat neemt
niet weg dat er omstandigheden kunnen zijn dat zo'n plaatsing onvermijdelijk
is.
Bij een gedwongen plaatsing is geen sprake van ontslag en heraanstelling. De plaatsing dient te geschieden overeenkomstig de kaders van de bestuursaanstelling in de Raamovereenkomst PO 1998-2000 en de CAO-VO. Weigert een personeelslid mee te werken aan een overplaatsing dan kan het bevoegd gezag hem ontslaan. Een personeelslid dat om deze reden ontslag wordt verleend, zal rekening moeten houden met een sanctie op zijn ontslaguitkering- Hij zal moeten aantonen dat hij een voldoende rechtvaardigheidsgrond had om de overplaatsing te weigeren.
Eigen wachtgelders
De eigen wachtgelders van de openbare
en de bijzondere scholen binnen het samenwerkingsbestuur dienen bij voorrang
in vacatures te worden benoemd. Wanneer er buiten het samenwerkingsbestuur
in dezelfde gemeente nog meer openbaar onderwijs is, bijvoorbeeld onder een
bestuurscommissie of onder een gemeentelijk schoolbestuur, dan zijn de wachtgelders
van de openbare scholen van het samenwerkingsbestuur bij voorrang benoembaar
in vacatures op de andere openbare scholen - en omgekeerd.
Wat hiervoor bij de algemene tewerkstelling van het personeel over de benoemingsontheffing is gezegd, geldt ook bij de verplichtingen in verband met de eigen wachtgelders.
Bron: Flippo, R.K. en F.M. Ruijling. Samenwerkingsbestuur: eenvoudige zuilaire samenwerking en verzelfstandiging. In: Onderwijs Lokaal, september 1998.
In 1996 promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam de heer J.F.A. (Sjaak) Braster cum laude op een onderzoek naar de identiteit van het openbaar onderwijs. Een gesprek met Braster over aard, betekenis en ontwikkeling van de identiteit van de openbare school.
Welke typen openbare school bent u tegengekomen?
In de tijd - maar ook territoriaal
- gezien, kan worden gesproken van de katholiek, de gereformeerd, de algemeen-christelijk,
de passief neutraal, de traditioneel, de multicultureel en de actief pluriform
openbare school. Die verscheidenheid aan identiteiten openbaar onderwijs wordt
veroorzaakt door de verschillende levensbeschouwingen die ouders, leerlingen,
leraren en bestuursleden meebrengen. Binnen bijzondere scholen is die verscheidenheid
aan identiteiten echter veel eenvormiger. Op elke openbare school in mijn
onderzoek wordt kerstfeest gevierd. De aard van de viering echter verschilt.
Zo organiseerde een pas opgerichte openbare basisschool in Limburg een boswandeling
vanwege het kerstfeest. De viering zelf werd verbannen. In een onkerkelijk
stadje in Friesland trof ik een openbare school aan waar de leerlingen jaarlijks
het kerstspel opvoeren, compleet met Jezus, Maria, Jozef en de herdertjes.
Op dit moment onderscheid ik vier typen openbaar basisonderwijs in Nederland.
Gelet op het doelstellingsartikel zou de pluriform openbare school (aandacht
voor christendom en cultuur) het overheersende type moeten zijn. Slechts 25%
van de openbare basisscholen kan worden getypeerd als pluriform. De overige
drie typen zijn de multicultureel openbare school (aandacht voor cultuur,
islamitische feestdagen en sociale projecten), de traditioneel openbare school
(facultatief godsdienstonderwijs, aandacht voor kerstfeest en koninginnedag)
en de neutraal openbare school (afwezigheid van aandacht voor christendom
en cultuur). De typen komen in vrijwel gelijke mate voor.
Bron: Rutgers, Peter. De identiteit van het openbaar onderwijs. In: Schoolmanagement, 1997, nr.5.
Op welke wijze gaat men momenteel in de onderwijspraktijk met de identiteit van het openbaar onderwijs om? Leeft zij onder leraren?
De formele identiteit luidt: `Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden'. In de praktijk van het onderwijs blijkt het nog steeds lastig te zijn om het aanvankelijk gehuldigde principe van `passieve neutraliteit' (het stelselmatig achterwege laten van aandacht) om te buigen naar `actieve pluriformiteit' (het consequent aandacht besteden). Typeerden schoolleiders in het openbaar en het bijzonder onderwijs in de eerste helft van deze eeuw hun school nog door te wijzen op de levensbeschouwelijke uitgangspunten ervan, momenteel typeert ruim 80% hun school in voornamelijk onderwijskundige termen: leerlingvolgsysteem, excursies, milieuonderwijs, informatica, oudercontact, buitenschoolse opvang, etc. In de lessen behoren leraren in het openbaar onderwijs de verscheidenheid van de samenleving in levensbeschouwelijk, etnisch en politiek opzicht tot uitdrukking te laten komen. Mijn onderzoek leert, dat zij in het algemeen niet goed zijn toegerust voor de vertaling van deze doelstelling. Op een schaal van 0 tot 10 varieert de score voor aandacht aan maatschappelijke verscheidenheid van 2 tot 4. De hoogste score wordt gerealiseerd door de leraren van de groepen 7 of 8. Lesgeven in de geest van het openbaar onderwijs gelukt het best door leraren die onder meer een maatschappijgerichte didactiek toepassen, contact onderhouden met buitenschoolse instellingen, huisbezoeken afleggen en zelf beschikken over een cultureel en sociaal kapitaal.
Bron: Rutgers, Peter. De identiteit van het openbaar onderwijs. In: Schoolmanagement, 1997, nr.5.
In hoeverre heeft de Nederlandse bevolking behoefte aan een openbare school?
Nederlanders hebben een vrij sterke behoefte aan pluriform onderwijs. Men is van mening, dat de verscheidenheid van de samenleving in levensbeschouwelijk, etnisch en politiek opzicht tot uitdrukking moet komen in de lessen. Met name aan de twee laatste aspecten mag de school niet voorbijgaan. De schoolkeuze maakt daarbij niet veel verschil. Mensen die openbaar en algemeen-bijzonder onderwijs voorstaan, maar ook zij waarvoor de schoolkeuze er niet toe doet, blijken de sterkste behoefte te hebben aan pluriformiteit in de lessen. Overigens bestaat ook bij mensen die een confessionele school zouden kiezen, een duidelijke behoefte aan pluriform onderwijs. De openbare school heeft dus niet per definitie het alleenrecht op pluriform onderwijs.
Pluriformiteit lijkt toch het meest centrale begrip binnen de identiteit van het openbaar onderwijs te zijn. Als het langzamerhand ook past binnen het bijzonder onderwijs, wat is dan nog onderscheidend? De bestuursvorm is ook al niet meer kenmerkend.
Algemene toegankelijkheid, eerbiediging andersdenkenden en aandacht voor levensbeschouwelijke verscheidenheid zijn de formele kenmerken van de openbare school. Deze kenmerken gelden - in afnemende volgorde - ook voor rooms-katholieke en protestants-christelijke scholen. En ‘in veel mindere mate’ tot ‘niet’ voor gereformeerde en reformatorische scholen. Ouders neigen ernaar hun kinderen te sturen naar een school die in een aantal opzichten pluriform is. Waar de openbare school zich aanvankelijk nog kon profileren met slogans als `onverdeeld naar de openbare school', `niet apart maar samen' en `de school van de gemeenschap', daar heeft de werkelijkheid van alle dag dit beeld ingehaald. Willen openbare en bijzonder scholen zich blijven onderscheiden - gelet op de actuele marktwerking mag daarvan worden uitgegaan - , dan zal dat onderscheid niet meer tot stand komen louter op basis van de kenmerken levensbeschouwing en bestuursvorm. Ik voorzie, dat naast de `actief pluriforme school' de zgn. `school van hét contrast' gaat ontstaan: De identiteit van deze school wordt vooral bepaald door een pedagogisch, didactisch en/of organisatorisch concept, een sociaal-maatschappelijke stellingname, een bestuursvorm, een maatschappelijke functie (ouderfaciliteiten), eventueel een levensbeschouwing. Om nog op te vallen in een zich aftekenend uniformer onderwijsbestel zullen scholen het `contrast' opzoeken. Deze ontwikkelingen kunnen het revitaliseren van de formele kenmerken van de openbare school in de weg staan.
Bron: Rutgers, Peter. De identiteit van het openbaar onderwijs. In: Schoolmanagement, 1997, nr.5