Module OO en ontwikkelingslijnen

  1. Startbekwaamheden
  2. Ontwikkelingslijnen
  3. Fasering
  4. Indicatoren
  5. Casussen
  6. Programmering

1. Startbekwaamheden

Alle pabo's dienen zich te richten naar de startbekwaamheden leraar primair onderwijs. Die zijn verdeeld in drie domeinen:

Er valt een redenering te geven dat een module OO met alle drie domeinen te maken heeft. Van een leraar die voor openbaar onderwijs kiest, mag verwacht worden dat hij vanuit een daarbij passende attitude zijn werk verricht. Zijn basishouding dient zich te weerspiegelen in het gedrag dat hij vertoont tijdens bijvoorbeeld rekenen, het kiezen en aanleren van een lied, het aanreiken van onderwerpen om leerlingen een tekst te laten schrijven, etc. In een aantal casussen zal deze verwevenheid tussen attitude en het dagelijks onderwijswerk zichtbaar kunnen worden. Casussen slaan een brug tussen de intentie om verantwoord en doordacht openbaar onderwijs gestalte te geven en de praktijk van openbaar onderwijs in het werk van alledag.

Doelstellingen voor de student die voor openbaar onderwijs kiest, zullen zich vooral moeten richten op een scherpe omschrijving van wat de basisattitude inhoudt. Deze stellingname perkt de keuze van startbekwaamheden in tot de volgende selectie:

Vanuit deze keuze kunnen enkele ontwikkelingslijnen worden opgesteld. Ontwikkelingslijnen zijn in standaard 12 van het Gemeenschappelijk curriculum pabo van het Procesmanagement Lerarenopleidingen (PML) voorgeschreven:

"De eindtermen staan in het perspectief van de ontwikkelingslijnen. De opleiding benoemt een aantal ontwikkelingslijnen. Het regelmatig toetsen van de praktijkkennis en handelingsbekwaamheid van de student maakt de ontwikkelingslijnen zichtbaar."

De opgestelde ontwikkelingslijnen zullen vervolgens worden ingedeeld naar de vier fasen van betrokkenheid: zelf - taak - ander - organisatie. Voor elke fase zullen per ontwikkelingslijn tenslotte indicatoren worden gegeven voor de bepaling van leerinhouden en doelen in een opleidingstraject dat voorbereidt op de specificatie 'openbaar onderwijs'.

2. Ontwikkelingslijnen

Een opleidingsprogramma voor de specificatie 'openbaar onderwijs' berust op de hierna volgende ontwikkelingslijnen. Voor elke ontwikkelingslijn zullen de referenties worden gegeven naar de startbekwaamheden die in het document 'Startbekwaamheden leraar primair onderwijs' zijn beschreven.

  1. Inzicht in eigen waarden en normen en bekwaamheid tot waardenontwikkeling bij leerlingen binnen de identiteit van een openbare school.
    Referenties: Preambule A, 2.3.1, 2.7.1, 2.7.3, 3.2.3, 3.2.4.
  2. Betrokkenheid op de multiculturele en pluriforme samenleving en de consequenties daarvan voor openbaar onderwijs zien en toepassen.
    Referenties: Preambule B en de startbekwaamheden 2.1.8, 2.2.2, 2.2.3, 2.3.5, 2.7.2, 3.2.1, 3.2.2.
  3. Bereidheid tot maatschappelijke participatie in het perspectief van een pluriforme samenleving en de voorbereiding van leerlingen daarop in het openbaar onderwijs.
    Referenties: Preambule (introductie), 2.1.8-2, 3.2.2
  4. (Meta)cognitief en samenwerkend de eigen professionele ontwikkeling mede sturen in het perspectief van een leraar aan een openbare school.
    Referenties: 2.1.8-1, 2.1.8-3, 2.7.2, 3.1.1, 3.1.2

3. Fasering

Om te kunnen bepalen wat in welke fase van de opleiding en van de ontwikkeling van de student in het programma moet komen, kan het volgende schema gebruikt worden:

propedeuse
kernfase
specialisatie
differentiatie
werkplekleren (lio)
zelf »
........ taak »
..................................ander »
......................................................................................organisatie »

De vier fasen van betrokkenheid van de student op het werk in de stageschool (zelf, taak etc.) staan hier in een cumulatieve ordening. In elke fase van de studie kunnen namelijk situaties voorkomen, die zo nieuw zijn voor de student dat hij weer eerst betrokken is op zichzelf: hoe kom ik deze situatie zo goed mogelijk door als persoon?

Tegelijkertijd laat het schema zien dat er sprake is van een opeenvolging van object van betrokkenheid. In de eerste fase 'zelf' probeert een student antwoord te vinden op de vraag: ben ik wel geschikt voor het werken met kinderen in school? Dat is de kernvraag voor de propedeuse. Wanneer hij voldoende zelfvertrouwen heeft opgebouwd in de stage om zich daar redelijk staande te kunnen houden, krijgt hij ruimte om zich te concentreren op een juiste uitvoering van de taak. Deze fase is bij uitstek de ambachtelijke fase. Een student leert hier het elementaire pedagogisch-didactische handwerk op vaardigheidsniveau te ontwikkelen. Wanneer ook dit redelijk verloopt, kan een student zich meer richten op de ander, op de leerling. Hij leert dan om te gaan met verschillen tussen kinderen. Tenslotte is de school als organisatie het focus waardoor de student de stage bekijkt. In deze fase is aandacht mogelijk voor zaken als teamafspraken, leerlijnen, een schoolplan en de identiteit van de school. Ook komen relaties met externe betrokkenen binnen het gezichtsveld en hoe met hen om te gaan.

4. Indicatoren

Een volgende stap in de ontwikkeling van een opleidingsprogramma is het toekennen van indicatoren voor de bepaling van inhouden en doelen. Dat gebeurt per fase en per ontwikkelingslijn.

Ontwikkelingslijn a: Inzicht in eigen waarden en normen en bekwaamheid tot waardenontwikkeling bij leerlingen binnen de identiteit van een openbare school.

zelf (a.ze.)

  1. zich bewust worden van eigen waarden en normen voor opvoeding en onderwijs
  2. inzicht ontwikkelen in grondwettelijke rechten en plichten en de consequenties daarvan voor het omgaan met waarden en normen in het openbaar onderwijs
  3. in staat eigen latente vooroordelen te onderscheiden en te werken aan een opheffing ervan
  4. eigen waarden en normen relateren aan die van anderen in en rond de school

een bijgestelde set waarden en normen voor opvoeding en onderwijs in een openbare school voor zichzelf formuleren

taak (a.ta.)

  1. waardengebondenheid van leerstof onderkennen en benoemen
  2. eenvoudige onderwijstaken met waardenoriëntaties voor leerlingen uitvoeren
  3. gesprekken voeren met kinderen over waarden en normen in actuele thema's uit hun leef- en belevingswereld

ander (a.an.)

  1. een pedagogisch klimaat scheppen met waarden als respect, tolerantie, betrouwbaarheid en veiligheid
  2. eigen pedagogisch gedrag afstemmen op behoeften van kinderen
  3. ervaringen van kinderen en gebeurtenissen die hen sterk bezighouden als uitgangspunt nemen voor onderwijs met waardenoriëntatie en -ontwikkeling
  4. 4 inspelen op verschillen in waardenbeleving van kinderen op grond van hun etnisch-culturele achtergrond

organisatie (a.or.)

  1. inzicht in de grondslag van openbaar onderwijs en de wijze waarop een openbare stageschool die realiseert
  2. het eigen gedrag relateren aan wat in de stageschool aan waarden en normen belangrijk wordt geacht
  3. met ouders communiceren over verschillende waardenoriëntaties en -belevingen
  4. inzicht in leerlijnen voor waardenontwikkeling van leerlingen in een openbare school

Ontwikkelingslijn b: Betrokkenheid op de multiculturele en pluriforme samenleving en de consequenties daarvan voor openbaar onderwijs zien en toepassen.

zelf (b.ze.)

  1. kennis over aspecten van de multiculturele en pluriforme samenleving, zoals bevolkingsgroepen, culturele codes, etniciteit, minderheden, identiteit en levens- of wereldbeschouwing
  2. inzicht in de taak van openbaar onderwijs cultuur over te dragen en te ontwikkelen op een manier die de levens- of wereldbeschouwing van anderen respecteert
  3. kennis over en inzicht in onderwijs en opvoeding in een multi-culturele setting en de eigen rol als leraar daarin

taak (b.ta.)

  1. eenvoudige onderwijstaken met leerstof die verschijnselen en gebeurtenissen in de samenleving met een pluriform karakter weergeeft
  2. eenvoudige onderwijstaken in multi-etnisch perspectief
  3. ontwerpen van interculturele lessen
  4. onderzoek van de deelsamenleving rond een basisschool op kenmerken van multiculturaliteit en pluriformiteit
  5. leerstof onderzoeken of deze een afspiegeling vormt van de multiculturele en pluriforme samenleving

ander (b.an.)

  1. inzicht in verschillen tussen kinderen en hoe daar met respect en stimulerend tot uitwisseling mee om te gaan
  2. onderwijstaken die inspelen op verschillen tussen kinderen in levens- of wereldbeschouwend opzicht
  3. onderwijstaken die inspelen op etnisch-culturele verschillen tussen kinderen
  4. onderwijstaken die kinderen stimuleren tot respectvol en maatschappelijk verantwoord gedrag, o.a. door hen te leren multiperspectivisch te kijken
  5. onderwijstaken die vakoverstijgend, thematisch ingaan op overeenkomsten en verschillen in geestelijke stromingen

organisatie (b.or.)

  1. met collega's communiceren over verschijnselen en gebeurtenissen in de samenleving in relatie tot de maatschappelijke opdracht van openbaar onderwijs
  2. vanuit de kerndoelen voor basisonderwijs bijdragen aan de ontwikkeling van leerlijnen waarin pluriformiteit en waarden als respect en tolerantie een concrete invulling krijgen

Ontwikkelingslijn c: Bereidheid tot maatschappelijke participatie in het perspectief van een pluriforme samenleving en de voorbereiding van leerlingen daarop in het openbaar onderwijs

zelf (c.ze.)

  1. kennis over de grondslagen en verschijningsvormen van de Nederlandse samenleving
  2. onderzoek naar de manieren waarop leraren actief participeren in de Nederlandse samenleving in het perspectief van hun onderwijswerk
  3. reflectie op de eigen participatie in de samenleving tot nu toe

taak (c.ta.)

  1. vanuit een eigen participerende activiteit in de samenleving een les ontwerpen
  2. onderwijstaken vanuit een eigen deelname aan een activiteit in de samenleving waarin het pluriforme karakter van die samenleving herkenbaar wordt voor leerlingen

ander (c.ta.)

  1. ontwerpen van activiteiten met kinderen waarin geparticipeerd wordt in de deelsamenleving rond de school en die deze leerlingen leren op een actieve manier om te gaan met het pluriforme karakter van die deelsamenleving
  2. uitvoeren van enkele onderwijstaken met actieve participatie in de deelsamenleving
  3. onderwijstaken rond maatschappelijke thema's waarin samen met de leerlingen wordt gezocht naar verklaringen van gebeurtenissen en verschijnselen, uitmondend in een tolerante en respecterende stellingname

organisatie (c.or.)

  1. in schoolverband participeren in activiteiten die de school nauwer verbinden met de leefomgeving van de leerlingen en hun ouders of verzorgers
  2. bijdragen aan de ontwikkeling van schoolbeleid gericht op maatschappelijke participatie

Ontwikkelingslijn d: (Meta)cognitief en samenwerkend de eigen professionele ontwikkeling mede sturen in het perspectief van een leraar aan een openbare school

zelf (d.ze.)

  1. bijhouden van een logboek met reflecties op de eigen ontwikkeling tot leraar in het openbaar onderwijs op het terrein van waarden, normen en meningen
  2. eigen gedrag in studie en stage relateren aan kenmerken van openbaar onderwijs en van daaruit persoonlijke leerdoelen formuleren

taak (d.ta.)

  1. onderzoek naar gedragskenmerken van leraren in het openbaar onderwijs in relatie tot kenmerken van dat onderwijs en de uitkomsten ervan verbinden met de eigen ontwikkeling

ander (d.ta.)

  1. demonstreren in de stage van verworven bekwaamheden met reflectie voor- en achteraf in een beoordelingssituatie

organisatie (d.or.)

  1. met medestudenten de eigen verworvenheden en problemen interviseren in het licht van het leraarschap in een basisschool voor openbaar onderwijs

Met de voorgaande ontwikkelingslijnen, fasen en indicatoren kan een programma worden ontwikkeld voor de specificatie 'openbaar onderwijs'.

5. Casussen

Een tiental casussen geeft situaties weer waarin openbaar onderwijs zich manifesteert. De inhoud van deze casussen is als volgt verbonden met de indicatoren:

Casussen

Code van de indicatoren

1 Kerstverhaal

a.ze.1; a.ta.1; a.ta.2; b.ze.1; b.ze.2;

2 Mediatheek

a.ze.1; a.ta.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ze.3; b.ta.5;

3 Dramatische vormgeving

a.ta.1; b.ze.1; b.ta.5;

4 Methode geschikt voor OO?

a.ta.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ta.5;

5 Sinterklaas

a.ze.1; a.ze.4; a.ta.3; a.an.1; b.an.2;

6 Openbaar bidden

a.ze.1; a.ze.2; a.ze.3; a.ze.4; a.or.3; b.ze.1;

7 Schoolgids

a.ze.4; a.or.1; a.or.3; b.ze.2; b.or.1;

8 Godsdienstige stellingname

a.ze.1; a.ze.2; a.ze.4; a.or.3; b.ze.2; b.ze.3; b.or.1;

9 Openbaar onder kath. bestuur

a.ze.1; a.ze.2; a.ze.4; a.ze.5; a.or.1; a.or.2; b.ze.3; b.or.1;

10 Sollicitante

a.ze.1; a.ze.2; a.ze.3; a.ze.4; a.ze.5; a.or.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ze.3;

De casussen bestrijken alleen de ontwikkelingslijnen a en b. Elke casus loopt zowel in a als in b.
De casussen kunnen op de volgende wijze geplaatst worden op deze ontwikkelingslijnen:

propedeuse
(ze)
kernfase 1
(ze + ta)
kernfase 2
(ze + ta + an)
werkplekleren
(ze+ta+an+or)
casus 1 (ze + ta)
m m
casus 2 (ze + ta)
m m
m casus 3 (ze + ta) m m
casus 4 (ze + ta)
m m
m casus 5 (ze + ta + an) m
m m m casus 6 (ze + or)
m m m casus 7 (ze + or)
m m m casus 8 (ze + or)
m m m casus 9 (ze + or)
m m m casus 10 (ze + or)

6. Programmering

Uit de overzichten in paragraaf 5 kunnen enkele conclusies worden getrokken:

De indicatoren kunnen op eenvoudige wijze in doelen voor de student worden omgezet. Deze doelen sluiten steeds een fase van de studie af:

Een voorbeeld van een omzetting:

In de opdrachten en het casusmateriaal kan via codering de relatie met bepaalde doelen worden aangegeven.

Kees Vreugdenhil


Last modified: 30/11/00