Module OO en ontwikkelingslijnen
Alle pabo's dienen zich te richten naar de startbekwaamheden leraar primair onderwijs. Die zijn verdeeld in drie domeinen:
Er valt een redenering te geven dat een module OO met alle drie domeinen te maken heeft. Van een leraar die voor openbaar onderwijs kiest, mag verwacht worden dat hij vanuit een daarbij passende attitude zijn werk verricht. Zijn basishouding dient zich te weerspiegelen in het gedrag dat hij vertoont tijdens bijvoorbeeld rekenen, het kiezen en aanleren van een lied, het aanreiken van onderwerpen om leerlingen een tekst te laten schrijven, etc. In een aantal casussen zal deze verwevenheid tussen attitude en het dagelijks onderwijswerk zichtbaar kunnen worden. Casussen slaan een brug tussen de intentie om verantwoord en doordacht openbaar onderwijs gestalte te geven en de praktijk van openbaar onderwijs in het werk van alledag.
Doelstellingen voor de student die voor openbaar onderwijs kiest, zullen zich vooral moeten richten op een scherpe omschrijving van wat de basisattitude inhoudt. Deze stellingname perkt de keuze van startbekwaamheden in tot de volgende selectie:
Vanuit deze keuze kunnen enkele ontwikkelingslijnen worden opgesteld. Ontwikkelingslijnen zijn in standaard 12 van het Gemeenschappelijk curriculum pabo van het Procesmanagement Lerarenopleidingen (PML) voorgeschreven:
"De eindtermen staan in het perspectief van de ontwikkelingslijnen. De opleiding benoemt een aantal ontwikkelingslijnen. Het regelmatig toetsen van de praktijkkennis en handelingsbekwaamheid van de student maakt de ontwikkelingslijnen zichtbaar."
De opgestelde ontwikkelingslijnen zullen vervolgens worden ingedeeld naar de vier fasen van betrokkenheid: zelf - taak - ander - organisatie. Voor elke fase zullen per ontwikkelingslijn tenslotte indicatoren worden gegeven voor de bepaling van leerinhouden en doelen in een opleidingstraject dat voorbereidt op de specificatie 'openbaar onderwijs'.
Een opleidingsprogramma voor de specificatie 'openbaar onderwijs' berust op de hierna volgende ontwikkelingslijnen. Voor elke ontwikkelingslijn zullen de referenties worden gegeven naar de startbekwaamheden die in het document 'Startbekwaamheden leraar primair onderwijs' zijn beschreven.
Om te kunnen bepalen wat in welke fase van de opleiding en van de ontwikkeling van de student in het programma moet komen, kan het volgende schema gebruikt worden:
|
propedeuse
|
kernfase
|
specialisatie
|
differentiatie
|
werkplekleren
(lio)
|
|
zelf »
|
||||
|
........
taak »
|
||||
|
..................................ander
»
|
||||
|
......................................................................................organisatie
»
|
||||
De vier fasen van betrokkenheid van de student op het werk in de stageschool (zelf, taak etc.) staan hier in een cumulatieve ordening. In elke fase van de studie kunnen namelijk situaties voorkomen, die zo nieuw zijn voor de student dat hij weer eerst betrokken is op zichzelf: hoe kom ik deze situatie zo goed mogelijk door als persoon?
Tegelijkertijd laat het schema zien dat er sprake is van een opeenvolging van object van betrokkenheid. In de eerste fase 'zelf' probeert een student antwoord te vinden op de vraag: ben ik wel geschikt voor het werken met kinderen in school? Dat is de kernvraag voor de propedeuse. Wanneer hij voldoende zelfvertrouwen heeft opgebouwd in de stage om zich daar redelijk staande te kunnen houden, krijgt hij ruimte om zich te concentreren op een juiste uitvoering van de taak. Deze fase is bij uitstek de ambachtelijke fase. Een student leert hier het elementaire pedagogisch-didactische handwerk op vaardigheidsniveau te ontwikkelen. Wanneer ook dit redelijk verloopt, kan een student zich meer richten op de ander, op de leerling. Hij leert dan om te gaan met verschillen tussen kinderen. Tenslotte is de school als organisatie het focus waardoor de student de stage bekijkt. In deze fase is aandacht mogelijk voor zaken als teamafspraken, leerlijnen, een schoolplan en de identiteit van de school. Ook komen relaties met externe betrokkenen binnen het gezichtsveld en hoe met hen om te gaan.
Een volgende stap in de ontwikkeling van een opleidingsprogramma is het toekennen van indicatoren voor de bepaling van inhouden en doelen. Dat gebeurt per fase en per ontwikkelingslijn.
Ontwikkelingslijn a: Inzicht in eigen waarden en normen en bekwaamheid tot waardenontwikkeling bij leerlingen binnen de identiteit van een openbare school.
zelf (a.ze.)
een bijgestelde set waarden en normen voor opvoeding en onderwijs in een openbare school voor zichzelf formuleren
taak (a.ta.)
ander (a.an.)
organisatie (a.or.)
Ontwikkelingslijn b: Betrokkenheid op de multiculturele en pluriforme samenleving en de consequenties daarvan voor openbaar onderwijs zien en toepassen.
zelf (b.ze.)
taak (b.ta.)
ander (b.an.)
organisatie (b.or.)
Ontwikkelingslijn c: Bereidheid tot maatschappelijke participatie in het perspectief van een pluriforme samenleving en de voorbereiding van leerlingen daarop in het openbaar onderwijs
zelf (c.ze.)
taak (c.ta.)
ander (c.ta.)
organisatie (c.or.)
Ontwikkelingslijn d: (Meta)cognitief en samenwerkend de eigen professionele ontwikkeling mede sturen in het perspectief van een leraar aan een openbare school
zelf (d.ze.)
taak (d.ta.)
ander (d.ta.)
organisatie (d.or.)
Met de voorgaande ontwikkelingslijnen, fasen en indicatoren kan een programma worden ontwikkeld voor de specificatie 'openbaar onderwijs'.
Een tiental casussen geeft situaties weer waarin openbaar onderwijs zich manifesteert. De inhoud van deze casussen is als volgt verbonden met de indicatoren:
|
Casussen |
Code van de indicatoren |
|
1 Kerstverhaal |
a.ze.1; a.ta.1; a.ta.2; b.ze.1; b.ze.2; |
|
2 Mediatheek |
a.ze.1; a.ta.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ze.3; b.ta.5; |
|
3 Dramatische vormgeving |
a.ta.1; b.ze.1; b.ta.5; |
|
4 Methode geschikt voor OO? |
a.ta.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ta.5; |
|
5 Sinterklaas |
a.ze.1; a.ze.4; a.ta.3; a.an.1; b.an.2; |
|
6 Openbaar bidden |
a.ze.1; a.ze.2; a.ze.3; a.ze.4; a.or.3; b.ze.1; |
|
7 Schoolgids |
a.ze.4; a.or.1; a.or.3; b.ze.2; b.or.1; |
|
8 Godsdienstige stellingname |
a.ze.1; a.ze.2; a.ze.4; a.or.3; b.ze.2; b.ze.3; b.or.1; |
|
9 Openbaar onder kath. bestuur |
a.ze.1; a.ze.2; a.ze.4; a.ze.5; a.or.1; a.or.2; b.ze.3; b.or.1; |
|
10 Sollicitante |
a.ze.1; a.ze.2; a.ze.3; a.ze.4; a.ze.5; a.or.1; b.ze.1; b.ze.2; b.ze.3; |
De casussen bestrijken alleen de ontwikkelingslijnen a en
b. Elke casus loopt zowel in a als in b.
De casussen kunnen op de volgende wijze geplaatst worden op deze ontwikkelingslijnen:
| propedeuse
(ze) |
kernfase
1 (ze + ta) |
kernfase
2 (ze + ta + an) |
werkplekleren
(ze+ta+an+or) |
|
casus
1 (ze + ta)
|
m | m | |
|
casus
2 (ze + ta)
|
m | m | |
| m | casus 3 (ze + ta) | m | m |
|
casus
4 (ze + ta)
|
m | m | |
| m | casus 5 (ze + ta + an) | m | |
| m | m | m | casus 6 (ze + or) |
| m | m | m | casus 7 (ze + or) |
| m | m | m | casus 8 (ze + or) |
| m | m | m | casus 9 (ze + or) |
| m | m | m | casus 10 (ze + or) |
Uit de overzichten in paragraaf 5 kunnen enkele conclusies worden getrokken:
De indicatoren kunnen op eenvoudige wijze in doelen voor de student worden omgezet. Deze doelen sluiten steeds een fase van de studie af:
Een voorbeeld van een omzetting:
In de opdrachten en het casusmateriaal kan via codering de relatie met bepaalde doelen worden aangegeven.
Kees Vreugdenhil